Deel van laatste hoofdstuk: Doktor Faustus van Thomas Mann

Last but not least… Als er na dit interview nog genoeg ruimte is in het pamflet, dan zou ik graag één scène willen afdrukken. Welke pagina’s of welke scène moet iedereen écht lezen?
Het middelste hoofdstuk, het gesprek met de Duivel, is heel belangrijk. Maar dat is dertig pagina’s. Ik denk dat het wel mooi is om een stuk te nemen dat aan het einde van het boek staat, in zekere zin het slot. Dat is een soort biecht en die duurt maar een paar pagina’s. Dat is een belangrijke en mooie scène en Thomas Mann heeft alles wat hij als schrijver in huis had erin gegooid. •

Doktor Faustus, vanaf pag. 542
Hij begon zeer zacht en mompelend, zodat maar een enkeling zijn aanhef verstond, er al aandacht aan schonk of anders zijn woorden als een luimige, schertsende stijlbloem opvatte, daar ze ongeveer als volgt luidden: ‘Achtbare, inzonderheid waarde broeders en zusters.’
Daarna zweeg hij even, alsof hij nadacht, de wang tegen de hand geleund en met de elleboog op tafel. Wat volgde werd eveneens als luimige inleiding en uitnodiging tot vrolijkheid opgevat, en hoewel de onbeweeglijkheid van zijn gelaat, de vermoeidheid van zijn blik en zijn bleekheid dit weerspraken, ging op dit punt nog een welwillend gelacht, luchtigjes door de neus of ook als gegiechel van de dames, door de zaal.
‘In eerste plaats,’ zei hij, ‘Wil ik u danken voor de jonst en vriendschap beide, door mij onverdiend, dewelke u mij hebt willen bewijzen door uw komst herwaarts te voet en per wagen, toen ik u uit de eenzaamheid van deze schuilhoek schreef en riep, ook reopen en noden liet door mijn innig trouwe famulus en boezenvriend, dezelve ik mij nog weet te herinneren van ons schoolgaan van jongs af, toen wij te Halle met malkanderen studeerden, doch daarover, en hoe hoogmoed en gruwel reeds aanvingen bij dit studeren, wijders in mijn sermoen.’
Hierbij keken velen met een behaaglijke glimlach naar mij, die hun glimlach echter van ontroering niet kon beantwoorden, daar het niets voor de dierbare was om met een zo weekhartige herinnering van mij te gewagen. Maar juist dit feit, dat zij tranen in mijn ogen zagen, amuseerde de meesten; en ik herinner mij met weerzin dat Leo Zink zijn grote, door hemzelf veelbespotte neus luid in zijn zakdoek snoot om mijn zichtbare aandoening te karikaturiseren, waarmee hij ook weer enig gegiechel oogstte. Adrian scheen het niet waar te nemen.
‘Ik moest mij,’ vervolgde hij, ‘Allereerst ook jegens u ontschieldigen (hij verbeterde zichzelf en zei: ‘ontschuldigen’, maar herhaalde toen: ‘ontschieldigen’) en u bidden geen grief te koesteren omdat onze hond Praestigiarius, hij wordt wel Sumo genoemd, maar heet in werkelijkheid Praestigiarius, zich zo euvel gedroeg en u met zulks hels gekef en gejank naar de oren stond, waar u toch om mijnentwil zich zo veel moeite en inspanning hebt ondervonden. Wij hadden elkeen uwer een buitengewoon hoog fluitje, alleen voor de hond hoorbaar, ter hand moeten stellen, dat hij al van verre begrepen hadde dat er alleen maar goede genode vrienden kwamen, begerend van mij te horen wat ik onder zijn wake heb gedaan en wat ik door al die jaren heen heb uitgericht.’
Om het fluitje werd weer van een paar kanten beleefd wat gelachen, al was het met bevreemding. Hij ging echter verder en sprak: ‘Nu heb ik tot u een vriendelijk christelijk verzoek, dat gij mijn voordracht niet kwaad wilt op- en aannemen, maar haar ten beste duiden, wijl ik een waarachtig verlangen heb u goeden en onschadelijken, zo niet onzondigen, dan toch slechts gewoon en draaglijk zondigen, die ik daarom van harte veracht, maar vurig benijd, een volle medemenselijke bekentenis te doen, want mij het uurglas voor de ogen staat, dat ik voorbereid moet zijn, als het verloopt met de laatste korreltjes door nauwe doorgang en Hij mij halen zal, wien ik, bij met mijn eigen bloed geschreven verbintenis, mijn ziel zo duur heb verkocht, dat ik Hem met lijf en ziel eeuwig zal willen toebehoren en in Zijn handen en geweld vallen, wanneer het glas leeggestroomd en de tijd, welke Zijn waar is, ten einde gelopen.’
Op dit punt werd hier nog eens hier en daar door de neus gelachen, maar er werd ook door sommigen met de tong tegen het verhemelte geklakt en met het hoofd geschud, als over een tactloosheid, en menigeen begon met sombere, onderzoekende blik te kijken.
‘Weet dan,’ zei degene aan de tafel, ‘gij goeden en vromen, die met uw matige zonde in Goods’ (weer verbeterde hij zichzelf en zei: ‘Gods’, maar kwam daarna weer op de andere vorm terug) ‘die in Goods genade en clementie rust, want ik heb het zo lang bij mij onderdrukt, maar wil het voor u niet langer verzwijgen, dat ik bereids sinds mijn eenentwintigste jaar met de Satan gehuwd ben en met besef van de vervaarnis, met weloverlegde moed, trots en stoutheid, omdat ik in deze wereld een roem erlangen wilde, een belofte en bondgenootschap met Hem heb gevestigd, dus dat alles wat ik in het bestek van vierentwintig jaren tot stand heb gebracht, en wat de mensen met recht mistrouwig beschouwden, slechts met Zijn hulp is ontstaan, en duivelswerk is, ingegoten door de Engel des Venijns. Want ik dacht zeker: wie kegelen wil moet opzetten, en tegenwoordig moet iemand de gunst des duivels winnen, omdat men voor een groot plan en werk niemand anders kan gebruiken en hebben dan Hem.’
Nu heerste er een pijnlijk gespannen stilte in de zaal. Weinigen zaten nog gemoederd te luisteren, daarentegen zag men veel opgetrokken wenkbrauwen en gezichten waarop te lezen viel: waar wil hij daarmee heen, en wat is hier gaande?Had hij een keer geglimlacht en geknipoogd om zijn woorden als artiestenmystificatie te kenmerken, dan zou alles nog min of meer in orde zijn geweest. Maar dat deed hij niet, hij zat daar bleek en ernstig. Sommigen keken vragend naar mij, wat of hier de bedoeling wel van was, en hoe ik het wilde verantwoorden; en misschien had ik moeten ingrijpen en de vergadering ontbinden – maar met welke motivering? Er waren alleen vernederende, hem blootstellende motiveringen en ik had het gevoel dat ik de zaken op hun beloop moest laten, in de hoop dat hij nu spoedig uit zijn werk zou gaan spelen en tonen in plaats van woorden ten beste geven. Nog nooit had ik zo sterk het voordeel van de muziek, die niets en alles zegt, boven de ondubbelzinnigheid van het woord ervaren, of zelfs de beschermende vrijblijvendheid van de kunst in het algemeen, vergeleken bij de compromitterende plompheid van de onvertaalde bekentenis. Deze echter te onderbreken druiste niet alleen in tegen mijn eerbied, maar ik verlangde ook hevig haar te horen, al bevond zich onder degenen die haar met mij hoorden misschien maar een enkeling die het waard was. ‘Houdt maar vol en luistert,’ sprak ik in gedachten tot de anderen, ‘daar hij elk van jullie nu eenmaal als zijn medemens heeft uitgenodigd!’
Na een pauze waarin hij nadacht begon mijn vriend weer: ‘Denkt niet, waarde broeders en zusteren, dat ik voor de promissie en vestiging van het pact een kruisweg in het woud en veel cirkels en grove bezweringen behoefde, want Sint Thomas leert al dat voor de afval geen woorden nodig zijn waarmee aanroeping plaatsvind, maar een daad is genoeg, ook zonder uitdrukkelijke eed van trouw. Want het was slechts een vlinder en bonte botervlieg, Hetaera Esmeralda, die had mij betoverd door aanraking, de melkheks, en ik volgde haar naar de schemerende loofschaduw waar haar doorzichtige naaktheid van houdt, en waar ik haar ving, die in haar vlucht een door de wind meegevoerd bloesemblad gelijkt, ving haar en minnekoosde met haar, haar waarschuwing ten spijt, zo was het gebeurd. Want toen zij mij bekoorde, behekste ze mij en vergiftigde ze mij in de liefde – toen was ik ingewijd en de belofte aangegaan.’
Ik kromp ineen, want hier klonk een intereumperende stem uit het gehoor, – die van dichter Daniel Zur Höhe in zijn priestergewaad, die met zijn voet tikte en hamerend oordeelde: ‘Het is mooi. Het bezit schoonheid. Heel goed, heel goed, dat kun je zeggen!’
Hier en daar siste iemand, en ook ik draaide mij afkeurend naar de spreker om, terwijl ik hem toch heimelijk dankbaar was voor zijn woorden. Want al waren ze dwaas genoeg, ze verschoven het door ons beluisterde naar een geruststellende en erkende optiek, namelijk de esthetische, die, hoe misplaatst ze ook was, en hoezeer ze mij ook ergerde, mij toch ook een zelf een zekere verlichting gaf. Want ik had het gevoel alsof er een getroost ‘Ah, zo dus!’ door het gezelschap ging, en een dame, de vrouw van uitgever Radbruch, voelde zich door Zur Höhe’s woorden aangemoedigd tot de uitspraak: ‘Je gelooft poëzie te horen.’
Ach, men geloofde dat niet lang, de kunstzinnige opvatting, hoe gerieflijk zij zich ook aanbood, was niet houdbaar, dit had niets van doen met dichter Zur Höhe’s stele grapjasserij va ngehoorzaamheid, geweld, bloed en plundering der wereld, het was stille en bleke Ernst, het was bekentenis en waarheid, die de mens in uiterste zielenood zijn daarvoor bijeengeroepen medemensen wilde doen horen, – een handeling van onzinnig vertrouwen evenwel; want medemensen zijn niet bedoeld en gemaakt om op een dergelijke waarheid anders te reageren dan met koel afgrijzen en met het vonnis dat zij al heel spoedig, toen het niet meer mogelijk was haar als poëzie te beschouwen, unaniem erover uitspraken.
Het had er niet de schijn van dat deze interrupties tot onze gastheer waren doorgedrongen. Zijn peinzen tijdens de pauzes die hij inlaste, maakte hem er blijkbaar ontoegankelijk voor.
‘Begrijpt toch goed,’ hernam hij zijn redevoering, ‘inzonders achtbare waarde vrienden, dat hier een godverlatene en vertwijfelde voor u zit, wiens lijk niet in gewijde grond thuishoort bij vrome afgestorven christenen, doch op de vildersplaats bij de cadavers van gecrepeerd vee. Op de baar, ik zeg het u bij voorbaat, zult gij het altijd vinden op het gezicht liggen, en of gij het ook vijf maal wendt, het zal toch weer omgekeerd liggen. Want reeds lang voordat ik met de giftige vlinder minnekoosde was mijn ziel in hoogmoed en trots naar de Satan onderweg geweest, en behelsde mijn datum dit, dat ik naar Hem haakte van jongs af aan, want gij moet weten dat de mens voor de zaligheid of voor de hel geschapen en voorbestemd is, en ik was voor de hel geboren. Daarom vierde ik mijn hovaardij bot, dat ik theologiam studeerde te Halle op de Hoge School, doch niet vanwege God, maar naar Hem, de grote religgiosus. Wat echter naar de duivel wil, dat laat zich niet weerhouden noch aan Hem ontzeggen, en het was maar een kleine overstap van de godsfaculteit naar Leipzig en naar de muziek, zodat ik mij enkel en alleen nog inliet met figures, characteribus, formis coniurationum en hoe zulke namen van bezwering en tovernarij ook genoemd zijn mogen.
‘Welnu, mijn vertwijfeld hart heeft het voor mij verbeurd. Ik had wel een goede gauwe kop en gaven, mij van boven goedgunstig verleend, die ik mij in eenzaamheid en bescheidenlijk had kunnen ten nutte maken, voelde echter maar al te goed: het is de tijd waarin op godvrezende, nuchtere wijze, in volgzaamheid, geen werk meer te maken en de kunst onmogelijk geworden is zonder duivelshulp en hels vuur onder de ketel… Ja ja, waarde gezellen, dat de kunst vastloopt en te moeilijk is geworden en zichzelvers hoont, dat alles te moeilijk geworden is en Gods arme mens geen raad meer weet in zijn nood, dat is voorzeker de schuld van de tijd. Noodt echter iemand de duivel te gast om daar overheen en tot doorbraak te komen, diezelve wroegt zijn ziel en neemt de schuld van de tijd op zijn eigen nek zulks dat hij verdoemd is. Want er staat geschreven: west nuchter en waakt! Dat echter is menigeens zaak niet, maar, in plaats van verstandig te zorgen voor wat op aarde nodig is opdat het daar beter worde, en omzichtig eraan toe te doen dat onder de mensen zulk een orde tot stand komt die het schone werk weder bestaansreden en een eerlijke inpassing verschaft, is de mens natuurlijk weer aan het spijbelen en barst hij los in helse dronkenschap: zo geeft hij zijn ziel eraan en belandt hij op de vildersplaats.
‘Aldus, welwillende waarde broeders en zusteren, heb ik gehandeld en naar nigromantia, carmina, incantatio, veneficium en hoe zulke woorden en namen verder genoemd mogen worden, ging al mijn interesse en verlangen uit. Ben ook weldra met Die ter spraak gekomen, met de Slavenschimper, het loeder, in de Italiaanse zaal, heb veel gesprek met Hem gevoerd, en Hij heeft mij over kwaliteit, fondement en substantie der hel menigerlei moeten verkonden. Heeft mij ook altijd verkocht, vierentwintig onafzienbare jaren, en zich jegens mij door toezegging verbonden en verloofd voor deze termijn, mij ook grote dingen beloofd en veel vuur onder de ketel, zodat ik bekwaam zou zijn tot het werk, ofschoon het te moeilijk was geworden en mijn kop te slim en spotziek ervoor, desniettegenstaande. Alleen zou ik daarvoor natuurlijk messepijn moeten lijden reeds in die tijd, evenals de kleine zeemeermin die leed in haar benen, dat was mijn zuster en lieflijke bruid genaamd Hyphialta. Want Hij bracht haar naar mijn bed als mijn bijslaap, zodat ik met haar begon te boeleren en haar steeds meer liefkreeg, of zij nu met de vissestaart kwam of met benen. Vaker weliswaar kwam zij in haar staart, omdat namelijk de pijn die zij als van messen leed in de benen het won van het genot, en ik was er zeer ontvankelijk voor hoe haar tengere lijf zo lieflijk in de geschubde staart overging. Maar hoger was mijn verrukking toch aan de zuivere mensengedaante, en zo had ik mijnerzijds groter genot wanneer zij zich met mij verenigde met benen.’
Op deze woorden volgden in het gehoor beroering en een vertrek. De oude heer en mevrouw Slaginhaufen namelijk stonden van onze tafel op, en stilletjes, zonder naar rechts of links te kijken, leidde de echtgenoot de echtgenote aan de elleboog tussen de zetels door en de deur uit. Er gingen ook nog twee minuten voorbij of men horde op het erf met veel kabaal en geronk de motor van hun auto starten en begreep dat ze wegreden.
Dit was menigeen zorgwekkend, want zo raakte men de wagen kwijt waarmee velen hadden gehoopt weer naar het station terugvervoerd te worden. Onder de gasten bestond echter geen merkbare neiging om hun voorbeeld te volgen. Men zat als gebiologeerd te kijken, en toen het buiten stil was geworden na het wegrijden. Liet Zur Höhe opnieuw zijn peremptoire ‘Mooi! O jazeker wel, het is mooi!’ horen.
Ook ik wilde juist mijn mond opendoen en mijn vriend verzoeken de inleiding verder te laten rusten en ons nu uit zijn werk voor te spelen, toen hij, niet door het incident geraakt, met zijn toespraak verder ging: ‘Daarop is Hyphialta bezwangerd geworden en heeft mij een zoontje geteeld, waaraan heel mijn ziel gehecht was, een heilig knaapje, lieftallig buiten alle gemeenheid en als van verre en oude landaard her. Daar echter het kind van vlees en bloed en het bedongen was dat ik geen menselijk wezen mocht liefhebben, bracht Hij het om zonder embarmen en bediende zich daartoe van mijn eigen ogen. Want gij moet weten dat wanneer een ziele hevig tot slechtheid bewogen is, alsdan haar blik giftig en adderachtig is, het meest voor kinderen. Zo ging dit zoontje vol zoete spreuken in de oogstmaand van mij heen, of ik soms gedacht had dat ik oorlof tot zulke tederheid genoot. Ik had zeker ook gedacht, al daarvoor, dat ik, als des duivels monnik, liefhebben mocht in vlees en bloed wat niet vrouwelijk was, die echter in grenzeloze vertrouwelijkheid naar mijn jij en jou dong tot ik het hem schonk. Daarom moest ik hem doden en jaagde hem in de dood volgens dwang en en bevel. Want de magisterulus had gemerkt dat ik echtelijk te huwen van zins was, en was vol woede omdat Hij in de echtelijke staat de afval zag van Hem en een list ter zoening. Dies dwong Hij mij juist dit voornemen te gebruiken om koel de vertrouwelijke te moorden, en ik wil het gebiecht hebben hier en nu voor u allen, dat ik ook nog voor u zit als moordenaar.’
Op dit punt verliet een tweede groep gasten het vertrek, te weten: de kleine Helmut Institoris, die, in stil protest, bleek en met de onderlip tegen de tanden aan getrokken, opstond, en zijn vrienden, de gladschilder Nottebohm mitsgaders zijn hoogborstige echtgenote van zeer burgerlijke stempel, die wij ‘de moederborst’ plachten te noemen. Dezen dus verwijderden zich zwijgend. Maar buiten de kamer hadden zij zeker niet gezwegen, want luttele ogenblikken na hun aftocht kwam vrouw Schweigestill zacht binnen, in haar schort, met haar grijze, in het midden strak gescheiden haar, en bleef met gevouwen handen in de buurt van de deur staan. Zij hoorde toe hoe Adrian zei: ‘Maar welk een zondaar ik ook was, gij vrienden, een moordenaar, wars van de mensen, aan de duivelse minnehandel overgegeven, desondanks heb ik mij altijd noest benaarstigd als werker en nooit gerugd,’ (wederom scheen hij erover na te denken en verbeterde het woord in ‘gerust’, bleef echter daarna bij ‘gerugd’) ‘noch geslapen, maar me veel moeite getroost en zware zaken volbracht, naar het woord van de apostel: “Wie zware dingen zoekt, dien valt het zwaar.” Want gelijk God middles ons geen grote daden doet zonder onze wijding, zo ook de Ander niet. Alleen de schaamte en de spot van de geest, en wat in de tijd strijdig was met het werk, dat heeft Hij verre van mij gehouden, het overige moest ik zelvers doen, zij het ook volgens eigenaardige ingietingen. Want dikwerf steeg in mij op een liefelijk instrument als een orgel of positief, vervolgens de harp, luiten, violen, bazuinen, dwarsfluiten, kromhoorns en kleine octaaffluiten, elk met vier stemmen, zulks dat ik had kunnen denken in de hemel te zijn, zo ik niet beter had geweten. Daarvan schreef ik veel op. Vaak waren ook zekere wichters bij me in de kamer, knapen en meisjes, die van muziekbladen een motet zongen, ze glimlachten er vreemd ondeugend bij en wisselden blikken. Het waren zeer mooie kinderen. Te wijlen rees hun haar omhoog als op hete lucht, en ze streken het weer glad met hun mooie handen, die hadden kuiltjes en er zaten robijnen steentjes aan. Uit hun neusgaten kronkelden af en toe gele wormpjes, die liepen naar hun borst omlaag en verdwenen–‘
Deze woorden vormden nu opnieuw voor enkele toehoorders het sein om de zaal te verlaten: het waren de geleerden Unruhe, Vogler en Holzschuher, van wie ik één beide handwortels tegen de slapen zag drukken terwijl hij wegliep. Sixtus Kridwiss echter, ten wiens huize zij plachten te disputeren, bleef met zeer geanimeerde gelaatsuitdrukking op zijn plaats zitten, en met hem bleven er na de verschillende aftochten altijd nog ruim twintig over, al waren ze vaak al opgestaan en zo te zien klaar om te vluchten. Leo Zink hield boosaardig-hoopvol de wenkbrauwen opgetrokken en zei: ‘Lieve help!’, zoals hij placht te doen wanneer hij andermans schilderijen moest beoordelen. Om Leverkühn hadden zich, als het ware beschermend, enkele vrouwen geschaard: Kunigunde Rosenstiel, Meta Nackedey en Jeanette Scheurl, deze drie. Else Schweigestill bleef op afstand.
En wij hoorden: ‘Zo heeft de Boze met getrouwigheid zijn woorden kracht gegeven vier en twintig jaar lang, en is alles gereed tot het laatste toe, in moord en ontucht heb ik het voleindigd, en misschien kan goed zijn uit genade wat in slechtheid werd geschapen, ik weet het niet. Misschien ziet God ook aan dat ik het zware gezocht en mij moeite getroost heb, misschien, misschien zal het mij aangerekend en ten goede gehouden worden dat ik mij zo benaarstigd heb en alles taai en ende gebracht,–ik kan het niet zeggen en heb niet de moed het te hopen. Mijn zonde is te groot dan dat zij mij vergeven zou kunnen worden, en ik heb haar ten top gedreven hierdoor, dat mijn kop erop speculeerde dat het berouwvol ongeloof aan de mogelijkheid van genade en vergeving het allerprikkelendst kon wezen voor de eeuwige goedheid, terwijl ik toch inzie dat zulke onbeschaamde berekening het erbarmen geheel en al onmogelijk maakt. Maar hierop steunend, gind ik verder met speculeren en rekende uit dat deze laatste verworpenheid de uiterste spoorslag voor de goedheid moest zijn om haar oneindigheid te bewijzen. En zo maar door, aldus, dat ik een zondige wedstrijd bedreef met de goedheid daarboven, wat onuitputtelijker was, zij of mijn speculeren,–daar ziet gij dat ik verdoemd ben, en er is geen erbarmen voor mij, vermits ik elk erbarmen alvorens verijdel door speculatie.
‘Daar nu echter de tijd verlopen is die ik ooit met mijn ziel had gekocht, heb ik u voor mijn einde tot mij geroepen, welwillend waarde broeders en zusteren, en u mijn geestelijk verscheiden niet willen verbergen. Ik bid u deswege, mij in der mine te gedenken, ook anderen die ik misschien vergeten heb te nodigen mijnentwege broederlijk te groeten en daarbenevens mij niets euvel te duiden. Dit alles gezegd en bekend hebbende, wil ik ten afscheid voor ulieden een kleinigheid uit de constructie spelen die ik van het lieflijke instrument van de Satan heb afgeluisterd en waarvan mij een deel door de ondeugende kinderen is voorgezongen.’
Hij stond op, zo bleek als de dood.
‘Deze man,’ liet zich toen in de stilte de astmatische, maar helder articulerende, stem van Dr. Kranich vernemen, ‘deze man is krankzinnig. Daaraan kan al lang geen twijfel meer bestaan, en het is zeer te betreuren dat in ons gezelschap de psychiatrische wetenschap niet vertegenwoordigd is. Ik, als numismaticus, voel mij hier geheel onbevoeg.’
Daarmee liep hij de deur uit.
Leverkühn, omringd door de genoemde vrouwen, en ook door Schildknapp, Helene en mij, was aan de bruine tafelpiano gaan zitten en streek met zijn rechterhand de bladen van de partituur glad. Wij zagen tranen over zijn wangen stromen en op de toetsen vallen, die hij, zo nat als ze waren, in sterk dissonerende akkoorden aansloeg. Daarbij opened hij zijn mond als om te zingen, maar alleen een klaagtoon, die voor goed in mijn oren is blijven hangen, drong tussen zijn lippen door; hij spreidde, over het instrument gebogen, de armen alsof hij het daarmee wilde omsuiten en viel plotseling, alsof hij een duw kreeg, zijdelings van de stoel af op de grond.
Vrouw Schweigestill, die toch verderaf had gestaan, was sneller bij hem dan wij nabijzijnden, die, ik weet niet waarom, een seconde lang aarzelden ons over hem te ontfermen. Zij tilde het hoofd van de bewusteloze op, en zijn bovenlichaam is haar moederlijke armen houdend, riep zij naar opzij tegen de nog steeds met open mond starogenden in de kamer: ‘Maak dat je wegkomt jullie altegader! Jullie stadslui hebt toch geen begrip, en hier is begrip nodig! Vaak heeft hij over de eeuwige genade gepraat, de arme man, en ik weet niet of die genoeg is. Maar ’n waarachtig, ’n menselijk begrip, neem dat van mij aan, is genoeg toe voor alles!’

Dit is de allerlaatste scene in het laatse hoofdstuk van de roman Doktor Faustus van Thomas Mann, vijfde druk, mei 2007. (pagina 542 t/m 551)

Auteur: Thomas Mann © 1947
Titel: Doctor Faustus
Subtitel: Het leven van de Duitse toondichter Adrian Leverkühn, verteld door een vriend
Vertaald door: Thomas Graftdijk
Uitgeverij: de Arbeiderspers – Amsterdam © 1985
Met een nawoord van G.A. von Winter.

0 Responses to “Deel van laatste hoofdstuk: Doktor Faustus van Thomas Mann”



  1. Leave a Comment

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s




Current issue #14

Blog Stats

  • 21,526 hits

Enter your email address to follow this blog and receive notifications of new posts by email.


%d bloggers like this: